Rasstandaard van de Tsjechoslowaakse Wolfhond 

Land van oorsprong
Tsjechoslowaakse republiek

Patronage
Slowaakse republiek

Gebruik
Gebruikshond

F.C.I. classificatie
Groep 1, Herders- en veedrijvers
Sectie 1, Herders met werkproef

Oorspronkelijke, geldige standaard gepubliceerd op: 28-04-1994 

Kort historisch overzicht:

In 1955 vond in de toenmalige CSSR een biologisch experiment plaats, een Duitse herder werd met een Karpatenwolf gekruist. Uit dit experiment bleek dat de pups uit de kruising hond x wolvin en uit de kruising teef x wolf, levensvatbaar waren. Het merendeel van de pups die voortgekomen zijn uit deze kruisingen bleken genetisch geschikt te zijn om mee verder te fokken.

Na het beëindigen van dit experiment werd in 1965 een project opgesteld voor dit nieuwe ras. Het doel was de goede eigenschappen van de wolf en die van de hond met elkaar te combineren. In 1982 werd het ras door de algemene vergadering van de Tsjechoslowaakse Federale Bond voor Fokkers van de toenmalige CSSR als nationaal ras erkend.


Algemene verschijning:
Krachtig, gebouwd, boven de gemiddelde grootte, met een rechthoekig uiterlijk. Zijn lichaamsbouw, gangwerk, vachtstructuur, kleur en masker, gelijkend op een wolf.


Belangrijke verhoudingen:Lichaamslengte : schofthoogte = 10 : 9 
Lengte voorsnuit : lengte schedel = 1 : 1,5 


Karakter en temperament:
Levendig, zeer actief, met een groot uithoudingsvermogen. Leert en reageert zeer snel. Onverschrokken en moedig. Argwanend, maar zal zonder reden niet aanvallen. Toont enorme trouw aan zijn baas. Bestand tegen alle weersomstandigheden. Veelzijdig inzetbare gebruikshond.

Hoofd:
Symmetrisch, goed gespierd. Zowel van boven als van opzij gezien heeft het hoofd een stompe wigvorm. Duidelijk geslachtstype.

Schedelgedeelte:
Zowel van voren als van opzij gezien is het voorhoofd licht gewelfd. De occiput is duidelijk zichtbaar. Matige stop.

Aangezichtsgedeelte:
Neus : Ovaalgevormd, zwart. 
Voorsnuit: Glad, niet breed, rechte neusbrug. 
Lippen: Strak gesloten, zonder ruimte i/d mondhoeken. De lipranden zijn zwart. 
Kaken/ gebit: Goed ontwikkelde tanden, m.n. de hoektanden. Schaar- of tanggebit met 42 gebitselementen, zoals gebruikelijk geformeerd. Regelmatig geplaatst. 
Wangen: Glad, voldoende bespierd, zonder (opvallende) bakken. 
Ogen:Klein, schuin geplaatst, barnsteenkleurig, met goed gesloten oogleden. 
Oren: Staand, dun, kort (d.w.z. niet langer dan 1/6 van de schofthoogte). De buitenste punt v/d ooraanzet en de buitenste ooghoeken liggen op één lijn. Een loodlijn vanuit de punt v/h oor loopt vlak langs het hoofd. 
Hals/ nek: Droog, goed gespierd. In rust in een hoek van 40° met de horizontale lijn. De halslengte moet zodanig zijn, dat de neus van de hond moeiteloos de grond kan raken. 
Lichaam:Bovenbelijning : Vloeiende overgangen van hals naar lichaam, licht dalend. 
Schoft: Goed gespierd, duidelijk zichtbaar. Hoewel zichtbaar mogen de schouders de bovenbelijning niet verstoren. 
Rug : Sterk en recht. 
Lendenen : Kort, goed gespierd, niet breed, licht gewelfd. 
Bekken : Kort, goed gespierd, niet breed, licht hellend. 
Borstkas: Symmetrisch, goed gespierd, ruim, peervormig en naar hetborstbeen toe nauwer wordend. De onderkant v/d borstkas komt niet tot aan de ellebogen. De punt v/h borstbeen komt niet voorbij het boeggewricht (geen voorborst). 
Onderbelijning en buik: Strakke oplopende buiklijn, licht ingevallen flanken.
Staart: Hoog aangezet, in rust recht naar beneden hangend. Als de hond attent is of in actie, wordt de staart hoger gedragen in een sikkelvorm. 

Ledematen
Voorhand: De voorbenen zijn recht, glad, dicht bij elkaar geplaatst, met licht naar buiten gedraaide voeten. 
Schouder: Het schouderblad is tamelijk ver naar voren geplaatst, goed gespierd. Het vormt een hoek van bijna 65° met de horizontale lijn. 
Opperarm: Sterk gespierd, een hoek van 120° tot 130° vormend met het schouderblad. 
Ellebogen: Goed aangesloten, noch in- noch uitdraaiend, goed gedefinieerd,flexibel. Opperarm en voorbeen vormen een hoek van ongeveer 150°.
Voorbeen: Lang, glad en recht. De totale lengte van de voorbenen en de middenvoet bedraagt 55% van de schofthoogte. 
Polsgewricht : Krachtig en flexibel. 
Middenvoet: Lang, een hoek van minstens 75° met de grond vormend. Licht verend in beweging. 
Voorvoeten: Groot, licht uitdraaiend, vrij lange gebogen tenen met sterke, donkere nagels. Goed ontwikkelde, elastische donkere voetzolen.
Achterhand: Krachtig. De achterbenen staan parallel. Een denkbeeldige verticale lijn vanuit de punt van het zitbeen zou midden door het spronggewricht lopen.
Eerste dij/ bovenschenkel: Lang, goed gespierd. Vormt een hoek van 80° met het bekken. Het heupgewricht is stevig en flexibel. 
Knie: Sterk en flexibel. 
Tweede dij/ onderschenkel: Lang, glad, goed gespierd. Vormt een hoek van ongeveer 130° met de hak. 
Spronggewricht : Glad, stevig en flexibel. 
Hakbeen: Lang, glad, praktisch vertikaal t.o.v. de grond geplaatst. 
Achtervoet: Vrij lange, gebogen tenen met sterke donkere nagels. 
Gangwerk: Harmonieus lichtvoetig, veel grond beslaande draf, waarbij de ledematen vlak bij de grond blijven. Hoofd en hals worden horizontaal gedragen. In stap gaat de hond in telgang.
Huid: Elastisch, stak, zonder rimpels en ongepigmenteerd.


Vacht en vachtstructuur:

Recht en dicht. De winter- en zomervacht verschillen veel van elkaar. In de winter vormt de enorme ondervacht met de bovenvacht een dikke vacht om het gehele lichaam. Het is noodzakelijk dat de buik, binnenkant van de dijen, het scrotum, binnenkant van het oor en het gebied tussen de tenen behaard zijn. Rond de hals bevindt zich een duidelijke kraag.

Vachtkleur:

Van geel-grijs tot zilvergrijs met een karakteristiek licht masker. De onderzijde van de hals en de voorborst zijn licht gekleurd. Een donkergrijze kleur met masker is toegestaan.

Hoogte en gewicht:Schofthoogte: 
reuen: minimaal 65 cm. 
teven: minimaal 60 cm. 

Gewicht
reuen: minimaal 26 kg. 
teven: minimaal 20 kg. 

Fouten:
Iedere afwijking van bovengenoemde punten moet als een fout beschouwd worden en de mate waarin deze fout wordt aangerekend dient in de juiste verhouding te staan tot de ernst van de fout.- Zwaar of licht hoofd, vlak voorhoofd. 
- Donkerbruin, zwarte of anders kleurige ogen. 
- Zwaar oor. Hoog of laag aangezet oor. 
- Hoog gedragen hals in rust, laag geplaatste hals in stand. 
- Niet geprononceerde schoft, a-typische bovenbelijning, lang bekken. 
- Te veel of te weinig hoeking in de voorhand, zwakke middenvoeten. 
- Te veel of te weinig hoeking in de achterhand. Onvoldoende bespiering. 
- Lange staart, laag aangezet en niet correct gedragen. 
- Nauwelijks zichtbaar masker. 
- Korte, slingerende gangen. 

Diskwalificerende fouten: 
- Afwijkingen in proporties. 
-
Fouten in gedrag en temperament, a-typisch hoofd, missende gebitselementen, ongelijkmatige beet. A-typische vorm en plaatsing van het oog. 
- Keelhuid, sterke bekkenhelling. 
- A-typische ribbenkast, foute en a-typische plaatsing van de voorbenen. 
- Uitstaande en a-typische vacht, vachtkleur anders dan aangegeven in de standaard. 
- Zwakke gewrichten, a-typisch gangwerk. 


N.B.: Reuen moeten twee normaal uitziende teelballen hebben, die geheel in het scrotum zijn ingedaald!

Het is goed, bij het lezen van de standaard, in het achterhoofd te houden dat de CSV op geen enkel punt op een Duitse Herder mag lijken!